Home Klachten Urineverlies

Urineverlies (urine-incontinentie)

Urineverlies komt vaak voor en kan verschillende oorzaken hebben. Op deze pagina lees je wat urineverlies is, welke klachten erbij kunnen horen en welke hulp mogelijk is.

Wat is urineverlies? 

Als je je plas niet goed op kunt houden, heet dat urine-incontinentie. Dat is een klacht die veel voorkomt en die allerlei oorzaken kan hebben.  

Urineverlies kan op verschillende manieren gebeuren. Er zijn dus verschillende soorten urineverlies.

Soms verlies je urine als er druk op je buik komt. Bijvoorbeeld als je hoest, lacht of beweegt. Dit heet stress-urine-incontinentie. Deze vorm komt veel voor bij gezonde vrouwen. Het heeft meestal niets te maken met de palliatieve fase. Daarom bespreken we deze vorm hier niet verder.

Je kunt ook ineens heel nodig moeten plassen. Soms kun je je plas dan niet meer ophouden. Dit heet aandrangsincontinentie. Sommige mensen hebben een overactieve blaas. De blaas trekt dan ineens samen. Daardoor moet je plotseling plassen of verlies je urine. Dit kan ook gebeuren als je blaas nog niet vol is.

Veel mensen hebben een combinatie van deze klachten. Dit heet gemengde urine-incontinentie. Urineverlies kan ook vooral ’s nachts gebeuren. Bijvoorbeeld als je plast tijdens het slapen, zonder dat je wakker wordt. Dit heet nachtelijk urineverlies.

Bij vrouwen kan urineverlies soms ook ontstaan door een verbinding tussen de blaas en de vagina (eenf istel). Dan lekt er voortdurend urine.

Welke vorm iemand heeft, verschilt per persoon. In de palliatieve fase kunnen klachten ook door meerdere oorzaken tegelijk ontstaan.

Wat merk ik van urineverlies? 

Urine-incontinentie kan de volgende klachten geven: 
•    irritatie van de huid door de urine (een schrale huid) 
•    een blaasontsteking 
•    een vieze geur 
•    schaamte, niet meer durven te vrijen, bij mensen uit de buurt blijven
•    sociale gevolgen (niet buiten de deur kunnen/durven te gaan, altijd in de buurt van een toilet moeten zijn)

Oorzaken van urineverlies 

Urineverlies kan verschillende oorzaken hebben, zoals: 

  • overactieve blaas 
  • blaasontsteking, blaasstenen, en tumoren 
  • vergroting van de prostaat 
  • harde ontlasting die tegen de blaas of de plasbuis drukt (obstipatie)  
  • vernauwing van de plasbuis  

Ook kunnen zenuwen die de blaas aansturen minder goed werken, bijvoorbeeld door:

  • een beroerte
  • uitzaaiingen
  • een dwarslaesie
  • bepaalde medicijnen

Ook door praktische dingen kan urineverlies ontstaan. Denk aan:

  • niet op tijd op de wc zijn
  • moeite met lopen
  • hulp nodig hebben bij het uitkleden

Vaak spelen meerdere factoren tegelijk een rol. De spieren in de bekkenbodem zijn ook belangrijk. Deze spieren helpen om de plas goed op te houden. Als deze spieren te zwak of te gespannen zijn, of niet goed samenwerken, kun je urine verliezen.

Onderzoek 

De arts zal je eerst vragen stellen over je voorgeschiedenis (wat voor ziekte je hebt en hoe je behandeld bent) en je klachten. Daarna word je onderzocht.  

Het kan zijn dat je arts extra onderzoeken voorstelt, zoals: 

  • een echo van de blaas 
  • een foto van je buik (gewone röntgenfoto of CT-scan) of wervelkolom (MRI) 
  • onderzoek van je urine 
  • cystoscopie, waarbij de arts met een camera in de blaas kijkt  
  • een test om te kijken of je blaas goed werkt 

Urineverlies: wat kan eraan gedaan worden? 

Als bekend is waar de klachten door komen, is het belangrijk om de oorzaak aan te pakken, bijvoorbeeld door: 

  • verstopping van de darm te behandelen 
  • medicatie aan te passen 
  • bij een tumor: operatie, bestraling of een andere behandeling 
  • bij vergrote prostaat, nauwe plasbuis, te nauw plasgaatje, te krappe voorhuid, stenen: operatie 
  • bij infectie: antibiotica en veel drinken (bijvoorbeeld water en thee) 

Behandeling van de oorzaak helpt niet altijd (voldoende). Dan kan behandeling van de klachten uitkomst bieden, bijvoorbeeld zo: 

Algemene tips: 

  • probeer regelmatig te plassen, minimaal elke twee tot drie uur. Ook als je niet ‘hoeft’ 
  • zorg dat je rustig kunt plassen 
  • als je op een toilet of postoel plast: zorg dat je goed kunt zitten en dat er een goede ondersteuning voor je voeten is. ‘Giet’ aan het eind het laatste restje urine uit je blaas door even een holle rug te maken. 
  • neem geen plastabletten, koffie en alcohol 
  • als je je schaamt en/of als het problemen geeft met vrijen: praat erover met je naasten en zorgverleners 

Een bekkenfysiotherapeut kan ook helpen. Deze fysiotherapeut leert je hoe je je bekkenbodemspieren en sluitspieren goed gebruikt. Soms leer je juist hoe je deze spieren kunt ontspannen. Je krijgt ook advies over plassen en naar het toilet gaan. En over hoe je in het dagelijks leven zo goed mogelijk met de klachten omgaat.

Huidverzorging: 

  • vier keer per dag de huid wassen met lauw water en droogdeppen en eventueel een dun laagje zinkzalf gebruiken om irritatie te voorkomen 
  • als je huid gevoelig is: na het wassen en droogdeppen een barrièremiddel gebruiken  

Gebruik van incontinentiemateriaal:

  • Kies materiaal dat past bij jouw situatie. Bijvoorbeeld verband voor in je onderbroek, een broekje of een condoomkatheter.
  • Gebruik bij urineverlies alleen materiaal dat hiervoor bedoeld is. Inlegkruisjes of maandverband zijn minder geschikt. Ze kunnen de huid juist irriteren.
  • Verschoon het materiaal regelmatig. Zo blijft de huid zo schoon en droog mogelijk.
  • Vraag gerust advies aan een continentieverpleegkundige, wijkverpleegkundige of apotheker.

Medicatie:

  • heb je aandrangincontinentie of laat je je plas ’s nachts lopen, dan kunnen medicijnen misschien helpen

Blaaskatheter (slangetje in de blaas) 

Met een katheter (een slangetje in de blaas) kun je ervoor zorgen dat je plas niet zomaar naar buiten loopt, maar in een zakje wordt opgevangen. Er zijn katheters die blijven zitten. Dat noem je verblijfskatheters. Verblijfskatheters moeten om de zes tot acht weken vervangen worden. 

Er zijn twee soorten verblijfskatheters: 

  1. een transurethrale blaaskatheter (een buisje in je blaas waar je plas door kan weglopen, dat via de plasbuis wordt ingebracht) 
  2. een suprapubische katheter  (een buisje in je blaas dat via de huid van je onderbuik wordt ingebracht) 

In beide gevallen wordt de blaaskatheter aangesloten op een urinezakje. 

Niet iedereen wil of hoeft een verblijfskatheter. Dan kan je zelf (of je mantelzorger of wijkverpleegkundige) drie tot vier keer per dag een katheter inbrengen om je blaas leeg te maken. Als je het zelf gaat doen, leer je eerst hoe dat gaat. 

Wat kan ik of mijn naaste doen?  

Door de tips onder Algemene tips en Huidverzorging te volgen, kun je al veel bereiken. En verder is het belangrijk om met je naasten te praten: wat betekent incontinentie voor jou? Hoe voel je je eronder? Wat zijn de gevolgen voor seksualiteit?

Wat zijn mijn wensen?  

Als je arts je een behandeling voorstelt, hoef je daar geen ‘ja’ op te zeggen. Het is erg belangrijk om goed na te denken over wat jij zelf wil. Vraag gerust naar de voordelen en de nadelen van de behandelingen. Wat weegt voor jou het zwaarst? Wat wil je wel, en wat wil je niet? Bespreek je wensen met je arts, zorgverleners en naasten. Vertel hun duidelijk wat je wilt. Dan kunnen zij jou de zorg bieden die bij jou past. 

Deze tekst is gemaakt door de redactie van Overpalliatievezorg met medewerking van:

  • Dianne Boxman, verpleegkundig adviseur
  • Lisanne Knol-Wijsman, bekkenfysiotherapeut & geriatrie fysiotherapeut

Samen met patiënten en naasten dragen deze deskundigen bij aan betrouwbare informatie op overpalliatievezorg.nl.

Meer informatie over deze website
Wijzigingsdatum: 26 juni 2026

Heb je gevonden wat je zocht?

Meer weten? Stel je vraag

Neem voor spoedeisende vragen en vragen over je persoonlijke, medische situatie altijd contact op met je eigen arts of verpleegkundige.
Stel jouw vraag